Ding Labor
Wat is een ding?
Wanneer is iets een ding?
Wat is er voor nodig om een ding te zijn?
Deze vragen kunnen we op twee manieren benaderen:
- In ruime zin:
Wat is een ding versus een niet-ding (zoals mens)?
- In nauwe zin:
op welke wijze onderscheidt een specifiek ding, zoals een koffiekopje of de beerput, zich van een ander ding (of niet-ding)?
Deze twee vragen brengen ons bij elk eigen vragen en onderwerpen. Ik begin met de tweede vraag; die is wat concreter (en dus handzamer?).
Op welke wijze onderscheidt dit ding zich van andere dingen (en niet-dingen) ?
Relationaliteit
Een zoektocht naar de essentie van een verschijnsel, zoals een ding, gaat feitelijk over diens relaties met andere verschijnselen.
De beerput is een ondergrondse container, gemaakt van hout of bakstenen, voor de opvang van menselijke urine en fecaliën.
De contouren van de beerput komen alleen tevoorschijn in relatie tot de bodem (ondergronds en daarmee ook bovengronds), hout en baksteen (en daarmee geen metaal, plastic, water), een containerfunctie, de inhoud en het bijbehorende gebruik (toilet/afvalbak).
Hoe meer relaties we kennen rondom een ding, hoe meer smoel, of essentie, het ding voor ons heeft.
Een belangrijk verschil tussen de beerput en het hedendaagse watercloset is dat de beerput niet is aangesloten op een ondergronds riool; ontlasting kan niet meteen kan worden weggespoeld, maar wordt ter plekke verzameld. De gebruiker heeft hierdoor bij de beerput meer last van de stank van ontlasting dan bij het watercloset.
De beerput werd in de veertiende eeuw beschouwd als een exclusiviteit en noviteit in de Nederlandse steden en werd vooral gebouwd en gebruikt door de stedelijke elite; met name het gebruik van baksteen voor de bouw was voorbehouden aan de zeer welgestelden. Sinds de negentiende eeuw, onder invloed van de ontdekking van de bacterie en een nieuwe kijk op hygiëne, worden beerputten beschouwd als gevaarlijke bron van ziektes en worden zij in steden nauwelijks meer gebruikt.
Het ene ding verschilt dus van het andere ding, zoals de beerput verschilt van een koffiekopje, doordat ze relaties hebben met hele andere verschijnselen. Dit betekent tevens dat de veertiende eeuwse beerput een ander ding is dan de negentiende eeuwse beerput: het scala aan relaties waar de beerput deel vanuit maakt in de negentiende eeuw is heel anders en daarmee ook de rol en functie van de beerput.
Zo wordt duidelijk dat de essentie van dingen niet vaststaat, maar bepaald wordt door zijn relaties. Dit wil echter niet zeggen dat dingen geen invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving.
Dingen nodigen uit (affordances) en dwingen soms af
Kopjes en beerputten hebben beide een containerfunctie; hun hol-vormig ontwerp nodigt ons uit om er iets in te doen. Hierin verschillen kopjes en beerputten van bijvoorbeeld bol-vormige dingen. We worden niet gedwongen om een kopje als container te gebruiken, we kunnen er van alles mee doen, maar in het kopje zit de voorkeur voor een bepaald gebruik besloten; het anticipeert op specifieke relaties met zijn omgeving (zowel zijn materiële omgeving als de menselijke gebruiker).- tekening Yvonne
Sommige objecten zijn zelfs dwingend van aard. Zodra we een draaideur beroeren, moeten we mee in zijn resolute draaibeweging. De deur heeft invloed op het tempo waarmee we (kunnen) lopen, de richting, het verloop van ons gesprek met een collega, kan twijfel zaaien over of je samen met diegene in een draaivakje gaat.
In andere woorden; objecten kunnen dingen en mensen uit hun omgeving (voor hun optimale functioneren) mobiliseren. (We zouden kunnen proberen objecten in te delen naar de mate waarin ze dwingend zijn of uitnodigend)
Daarnaast veroorzaken dingen op deze wijze een band tussen verschijnselen; zo verenigt een draaideur de wens van receptionisten en kassamedewerkers om geen last te hebben van wind en koude met de tegenstrijdige wens van grote groepen mensen om het publieke gebouw te betreden zonder dat ze telkens de deur achter zich dicht hoeven te doen. De draaideur voorkomt daarmee telkens weer een conflictsituatie en zorgt voor stabiliteit.
De bescheidenheid van dingen; op zoek naar een crisismoment
Het is vaak moeilijk om goed te zien wat een object is , oftewel met welke verschijnselen het relaties heeft en hoe het invloed uitoefent op zijn omgeving. Een draaideur is voor ons vanzelfsprekend en zolang het goed functioneert hebben we nauwelijks door dat de deur zorgt voor een vereniging van conflicterende wensen.
Latour noemt enkele situaties waarin we zien wat er allemaal komt kijken bij het functioneren van een ding (zijn relationele netwerk).
- Wanneer iets stuk gaat, bijvoorbeeld de draaideur, wordt veel duidelijk. Plots blijken niet alleen de (tegenstrijdige) belangen van receptionisten en klanten af te hangen van het functioneren van de deur, maar ook de expertise van de technische dienst, de beschikbaarheid van die dienst, de beschikbaarheid van de materialen waarvan de deur is gemaakt, de kosten van de reparatie en het kapitaal van het bedrijf.
- De ontwerpfase: ontwerpers, opdrachtgevers, gebruikers, materialen, technologie: ze zijn nog in discussie over wat het object moet kunnen en hoe dit te realiseren. Alles is nog open en bloot.
- Een verandering van (relationele) omgeving: in confrontatie met nieuwe relaties wordt vaak duidelijk wat een ding eigenlijk doet en nodig heeft om te functioneren
- Gedachte-experimenten: hoe zou de wereld eruit zien zonder dit ding? Wat voor een werk zouden we plots zelf moeten gaan verzetten?
Vanzelfsprekendheid kan ook worden ontzenuwd door een object te ontwerpen dat niet aan de verwachtingen van de gebruiker voldoet; hem/haar op het verkeerde been zet, of het tegenovergestelde beoogt van wat gebruikelijk is. Ik denk daarbij aan het idee van Yvonne om dingen te ontwerpen die criminaliteit aantrekken. Of de geprojecteerde treinrit voor dementen die een prettige vorm van inactiviteit mogelijk maakt (ipv activiteit). Hier is het ontwerp het gevolg van een gedachte-experiment waarbij de wereld wordt omgedraaid; dit verheldert bestaande relaties (en aannames).
Autonomie/weerstand kweken
Enerzijds wordt een ding invloedrijker naarmate het meer vervlochten is met andere dingen en mensen (zie boven: hoe meer relaties, hoe meer essentie). Hoe meer het vervlochten is met de wereld, hoe vanzelfsprekender het ding voor ons is en hoe moeilijker het wordt om de invloed van het ding waar te nemen.
Anderzijds geldt (in gedachtegoed Latour): hoe meer een object kan ontsnappen aan onze verwachtingen, weerstand kan bieden aan onze interpretaties, hoe autonomer het wordt. Medische wetenschappers doen niets anders dan experimenten waarbij men hoopt op afwijkend gedrag dat contouren van een bacterie of virus verheldert (en versterkt). Hier wordt geprovoceerd, weerstand gekweekt, opdat de bacterie een autonoom, afgebakend verschijnsel wordt. Kortom: wanneer een object ontregelt, frustreert, onverwachte zaken teweegbrengt, wordt het zelfstandiger.
Kunnen we iets met deze vreemde spanning? En met deze tegenstrijdige vormen van ‘actieve dingen’?
Waarin verschillen dingen van niet-dingen (zoals mensen)?
De grenzen tussen mensen en dingen
In ons dagelijks leven lijkt het niet moeilijk om een verschil te maken tussen mensen en dingen; mensen leven, voelen, moeten, willen, plannen. Dingen leven niet; ze functioneren of ze functioneren niet.
Maar als we er wat langer bij stilstaan wordt het al snel ingewikkelder. Zo voelen, willen, moeten, plannen en denken mensen anders met dan zonder dingen. Wanneer iemand met slechte ogen beschikking heeft over een bril of lenzen kan hij/zij zich totaal anders door de wereld begeven, andere ambities ontwikkelen, andere verlangens hebben en anders handelen (autorijden, lezen) dan zonder deze dingen. Het is niet alleen zo dat deze persoon mét bril/lenzen zijn (reeds aanwezige) potenties beter kan benutten; in combinatie met deze objecten ontwikkelt hij/zij andere, nieuwe mogelijkheden tot handelen, denken en wensen. Hetzelfde geldt voor de autorijder, de wijnkenner, de computergebruiker, kortom voor iedereen die relaties aangaat met dingen; er ontstaat een nieuwe actor. Deze actor kan op alle niveaus veranderen; wat betreft handelingspotentie, waarneming, ervaring, sociale impact, moraliteit.
Vanuit dit perspectief bestaan er geen pure mensen (of menselijke eigenschappen) of pure dingen (of dinglijke eigenschappen); zij staan altijd in relatie tot elkaar en veranderen hierdoor in iets nieuws.
Symmetrie
Vaak wordt gezegd (in het sociaalwetenschappelijk debat) dat we mensen en dingen als symmetrisch moeten beschouwen. Dit kun je op allerlei manieren interpreteren. Je kunt zeggen dat mensen en dingen beide invloed uitoefenen op de wereld en daarin niet voor elkaar onder doen. Het zijn beide actoren. Daarmee zeg je niet dat mensen en dingen hetzelfde zijn, maar wat we ze als gelijkwaardig moeten beschouwen.
Je kunt ook een stap verder gaan en met de gedachte spelen dat dingen en mensen elkaars eigenschappen kunnen hebben. Zo kun je dingen als uniek, intrinsiek bijzonder, of zelfs als levende wezens/bezield gaan beschouwen (zoals in antropologische studies veel gebeurt). Dit is echter al veel gedaan, met name bij studies naar bijzondere objecten, zoals religieuze relieken of invloedrijke kunstvoorwerpen.
Een leukere manier van hiermee spelen, is alledaagse dingen een rol toedichten; zoals een van de rollen uit de lijst van Architecture of interaction. Wat legt dit gedachte-experiment bloot over je eigen blik op dingen en de invloed die ze op jou/de wereld hebben?
Actie van dingen is niet hetzelfde als bezield zijn
Eigenlijk zien we hierboven twee manieren waarop de grens tussen mensen en dingen vervaagt. In beide gevallen heeft dit tot gevolg dat het ding niet langer gezien kan worden als een passief verlengstuk van (de wensen en doelen van) mensen, maar dat zij de wereld (en mensen) veranderen.
In het eerste geval vervaagt de grens tussen mensen en dingen door de relaties die zij met elkaar hebben (zij zijn beide relationeel van aard; zie pagina 1 en 2). Er zijn geen pure mensen of pure dingen.
In het tweede geval ga je weldegelijk uit van een verschil tussen ‘menselijke eigenschappen’ en ‘dinglijke eigenschappen’, maar erkennen we dat dingen zich soms kunnen opstellen en gedragen als waren zij mensen.
Dit zijn twee zeer verschillende perspectieven.
Vaardigheden/Techniek
De meest letterlijke manier waarop de grens tussen mens en ding kan verdwijnen: tijdens het leren van een techniek/vaardigheden in het omgaan met een ding. Hier raken mensen en dingen elkaar letterlijk aan en moeten een soort soepele eenheid worden. De grenzen moeten vervagen.
Van jongs af aan krijgen we geleerd hoe we met dingen moeten omgaan: niet op de tafel zitten, geen glazen breken, etcetera. We krijgen als het ware een lichamelijk vocabulaire mee ten opzichte van de materiële wereld. We leren de buitenwereld, ons lichaam, en onze innerlijke wereld zo tegelijkertijd kennen. (zie werk Merleau Ponty)
Sommige vaardigheden hebben we nodig om te overleven, in praktische en sociale zin (zoals eten, maar ook autorijden). Iedereen leert zo vaardigheden aan, maar hierin bestaat vaak ook een verdeelsleutel. De ene groep heeft toegang tot het leren van bepaalde vaardigheden, anderen niet. Hierin zit een morale en culturele dimensie besloten. (zie werk Bourdieu)
Andere vaardigheden zijn meer specialistisch van aard; de muzikant, de danser, de topsporter. Zij gaan naar aparte scholen en krijgen geleerd hoe ze mét het instrument (de fagot, de balletschoen, de klapschaats) kunnen excelleren.
Naarmate de vaardigheden van mens en ding groeien, leren zij elkaar onomkeerbaar op een nieuwe manier kennen. De wijnkenner leert nuances proeven en ruiken die de leek niet waarneemt. De wijn wordt op een nieuwe manier toegankelijk voor de kenner; beide veranderen voor elkaar.
Vraag: Hoe leer je vaardigheden weer af? Hoe maak je je los van deze intieme relaties? Kan dit wel? (Afkickcentra)